Kempense Gothic: Felix Timmermans (1886-1947)


Doch daar ging de deur open en de dokter liet een grote bleke man binnen. Hij was in ’t zwart gekleed met witte das, een zwart-zijden hoed en zwarte handschoenen. Zijn ogen stonden diep achter het voorhoofd en de dun-gelipte mond was toe en als een houw in zijn lang, bleek gezicht. Hij zag ons aan met een strakke blik, waarin iets van overtuigd medelijden zwom. Hij reikte vader langzaam een wit, zwart-omboord kaartje waarop een gewone naam – die ik nu vergeten ben – gedrukt stond met daaronder het woord Lijkbidder, en terwijl hij het vader reikte, wiens armen slap nevens het lijf hingen, zei hij met een donkere, holle stem: “Innige deelneming. Mag ik de dode aanbiddelen in de stad?…”

Heeft er ooit een mens meer verschoten bij de akeligste gebeurtenis, als vader en ik bij die enkele woorden? Vader zag ik verbleken, oprijzen en de man wanhopig bezien terwijl hij riep: “Dood! Dood!… Zij?… Hoe weet gij dat?” Maar de zonderlinge man zei heel eenvoudig, als één die niet weet: “Ik dacht het maar… en daarom… Maar als ze niet dood is…” De dokter nam hem bits het woord af. “Zwijg, lomperd,” en tot vader, lachend, troostend: “Ach, het is een dwaas… een simpele… ik ken hem. Hij heeft het weer gedroomd. Zo praat hij elke dag de mensen wat in het oor,” en dan weer tot de man, wiens stoer gezicht nu medelijden afsmeekte: “Ik dacht dat gij zo ernstig spreken moest?”

Maar nauwelijks had ik de eerste lijkbidderswoorden gehoord of ik voelde mij staan in een groot verblindend, dat mij de ziel verzengelde. Ik liet een rauwe kreet, want de waarheid van zijn woorden danste als vlammend bloed voor mijn ogen. Het was alsof met dit klare besef mijn lijf van duizend mieren krioelde. En als een razend dier liep ik in de gang, stormde de trappen op naar moeder!

De keers was bijna uitgebrand, een blauw vlamken wiegde nog boven het drijvend was. Met een kreet sprong ik vooruit, naar het witte bed, sloeg mijn armen rond moeders lichaam en drukte mijn mond op het voorhoofd. Maar ik deinsde terug, want haar voorhoofd was koud als ijs en haar leden stijf. En toen zag ik ze in het trillende keerslicht liggen, wit als sneeuw in maneschijn, met wijd opengespalkte mond en gerokken hals. En het ene opene oog waarin de keersvlam bibberde, keek mij koud en beschuldigend aan!
Ze was dood!

(uit: “Schemeringen van de dood”)

~ door wernermaes op 29 november 2007.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

 
%d bloggers op de volgende wijze: