Montbrison – Argelès-Gazost (10-21 juli): deel 2

Elke fietsvakantie kent telkens weer een dag om niet snel te vergeten. Vaak gaat zulks gepaard met het trotseren van barre weersomstandigheden. Tijdens de zesde rit in lijn van Plaisance naar Mauléon-Licharre in Frans Baskenland was het niet anders; hoewel de dag droog startte werden we na pakweg 20 kilometers geteisterd door fikse regenbuien die ons noopten te schuilen in al wat hiertoe dienst kon doen: een vervallen bushokje, een knusse kerk, een oude schuur en een authentieke Baskische herberg. In deze herberg waar het personeel de traditionele zwarte muts droeg trok een bizar kegelspel onze aandacht. Na een zoveelste bui zochten we een warm onderkomen in een klein cafeetje in Navarrenx. De teevee toonde de renners in de Tour die strijd leverden in een meer dan regenachtig Vogezendecor. “Il fait beau partout en France” liet ik mij ontvallen wat op enkele monkellachjes onthaald werd. De waardin was zelfs zo vriendelijk om een volledige schotel frieten voor ons te bakken. De laatste kilometers bleven op en af gaan zodat moe en getergd de camping bereikte.

bibberen en schuilen (en proberen te eten)

bibberen en schuilen (en proberen te eten)

Na de beproeving van de vorige dag wachtte ons de koninginnerit over verschillende cols. Direct na de start de redelijke gemakkelijke Col d’Osquich onmiddelijk gevolgd door de steile en smalle Col de Gamia waar schapen in de afdaling even voor een hachelijk moment zorgden. Nadien even wat vallei fietsen om de zware en zeer steile Col de Burdinkurutcheta te bedwingen waarvan de eerste vier kilometers aan meer dan 11 percent omhoog gingen. In de laatste kilometers hiervan vocht ik een robbertje uit met een lokale berggeit dat ik in de laatste honderden meters verloor. Ik had beter mijn krachten gespaard want op de volgende col brak dit mij zuur op. De Col de Bagargui verliep al heel wat moeizamer. De afdaling van deze col joeg me de stuipen op het lijf; smalle weg over een niet al te best wegdek, steil naar beneden en een gapend ravijn naast je. Heel voorzichtig daalde ik af en redelijk naar de vaantjes met 85 km en 2700 hoogtemeters in de benen geraakte ik op de middagstop. In de namiddag diende ook nog de Col de Soudet overwonnen te worden maar ook deze berg had ik grandioos onderschat. Mijn metgezel onderhield het tempo op de eerste makkelijkste kilometers maar stuikte in mekaar bij de eerste steile strook. Helaas bracht ik het er zelf niet veel beter vanaf; zwalpend en soms beschamend zigzaggend kroop ik naar boven. Naast de weg stonden er borden waarop te lezen stond hoe steil de volgende kilometer was. De informatie zal wel correct geweest zijn maar in feite was ze bedrieglijk, demotiverend en masochistisch. Soms juichte je inwendig als je zag de kilometer die eraan kwam maar 5% zou stijgen. In realiteit daalde de weg eerst 300 meter om de resterende 700 meter aan 12% te stijgen. Putjes in de weg zoals ons nestor dit later omschreef. Meer dood dan levend kwam ik boven en liet de geplande 3 kilometers naar de grens met Spanje voor wat ze waren.

een heel zwart beest

een heel zwart beest

eindelijk boven, volledig perte totale

eindelijk boven, volledig perte totale

Daags nadien kregen we 3 cols voorgeschoteld: de op het einde steile Marie-Blanque, de notoire Col d’Aubisque en de voor mij onbekende Col de Bordères. De Marie-Blanque ging moeizaam maar op de Aubisque had ik onverwacht opnieuw jus in de benen. Al bij al vond ik hem makkelijker dan verwacht. Tijdens de afdaling door het Cirque du Luitor naar de Soulor was het opletten geblazen voor kiezelsteentjes waar de Fransen hun wegen pogen te herstellen. De Bordères stelde weinig voor maar leverde wel een mooie afdaling op naar onze volgende halte Arcizans-Avant waar we verzeilden in een dorpsfeest waar er aanstekelijk deuntjes gespeeld werden op accordeon.

Op de rustdag klom ik nog met 2 kompanen helemaal omhoog naar de top van Port de Boucharo (2257 meter) op de grens met Spanje. Een zware dobber. Het stuk vals plat naar Luz-Saint-Saveur kroop al in de benen, het stuk naar Gavarnie nog meer en dan moest de kers op de taart nog komen in de vorm van tien steile slotkilomers over een zo goed als verlaten weg in een wondermooi panorama. De allerlaatste kilometer laveerden we langs rotsblokken en ander steengruis daar de doodlopende weg niet meer onderhouden werd. De Spanjaarden hadden nooit nodig gevonden de andere kant te asfalteren. Uiteindelijk was deze klim voor mij het hoogtepunt van een aangename fietreis.

boven op de port de boucharo

boven op de port de boucharo

~ door wernermaes op 3 augustus 2009.

Eén reactie to “Montbrison – Argelès-Gazost (10-21 juli): deel 2”

  1. Mooi verslagje. Die Bucharo vond ik ook één van de hoogtepunten, samen met de rit over de col de la Core, Latrape, Agnes en Peguere (waar op het laatst het licht ook wel terug uitging bij mij). Deze week ook de prachtige klim naar Pont d’Espagne gedaan: ook zeer de moeite. Ben al aan het trainen voor volgend jaar, dan worden de bergen toch nog iets steiler en lastiger vrees ik🙂

    groeten,
    Jeffrey

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

 
%d bloggers op de volgende wijze: