Geert van Istendael over het Engels

Engels

Ooit heb ik eens een jaar in Engeland gewoond, het is al bijna een
kwart eeuw geleden. Op grond van mijn flitsende intelligentie en
mijn supreem meesterschap over de Engelse taal gaf het British
Council me geld om aan een van de betere Britse universiteiten te
studeren.

Zoals iedereen weet is Engels spotgemakkelijk. Een bejaarde
kan het leren. Een handelsreiziger zelfs. Bij de eerste ontmoeting
met mijn medestudenten hield ik dus een kort toespraakje, volgens
mij een wondertje van vlotheid, geest en pregnantie. Volgens mijn
Britse toehoorders echter produceerde ik geen betekenis doch
gewauwel. Ik had het Angelsaksisch geluid nochtans met onverdroten
ijver ingeoefend door vers gekookte aardappelen in mijn mond te
stoppen en vervolgens buiten in de vrieskou te gaan staan om mij
de beroemde /stiff upper lip/ eigen te maken, tot mijn huisarts
het me verbood.
Ik zweeg beduusd. De eilandbewoners begonnen dan maar het
woord tot mij te richten. En hoor, ook de door hen geproduceerde
klanken waren geheel van betekenis ontbloot. Logisch gezien waren
er nu verschillende mogelijkheden.

1. Zij kenden geen Engels. Dat leek me zeer onwaarschijnlijk.
Verworpen.

2. Het Engels is een aaneenschakeling van klanken die niets
betekenen. Ook die optie verwierp ik, ze leek me weinig
praktisch in handel en industrie.

3. Ik kende geen Engels. Dankzij een zelfhulpgroep voor
buitenlanders heb ik geleerd dat te accepteren.

Na verloop van tijd begonnen de mensen in mijn omgeving te doen
alsof ze begrepen wat ik allemaal zei in hun taal. Er bleef één
onoverkomelijke hinderpaal: mijn achternaam. Die moest altijd en
overal gespeld worden: vie, ee, en, aai, es, tie, ie, en, die, ee,
ie, el. Halverwege vroegen ze meestal te stoppen en te herbeginnen,
wat misbaksels als ‘Van Istittendel’ tot resultaat had, dat was
wel de mooiste. Eén keer ontmoette ik aan de telefoon warm begrip.
Een lage vrouwenstem spelde me mijn eigen naam voor, de eerste
keer correct. Ik feliciteerde haar. ‘Oh, never mind,’ zei ze,’my
name is Sventorgetski.’

Aan dat alles dacht ik met weemoed toen ik op Radio 3, in België
is dat zender met de mooie muziek die helaas ernstig wordt
genoemd, toen ik op Radio 3 dus het cd-merk Hyperion hoorde
vermelden. De naam is bekend uit de Griekse mythologie en het
dichtwerk van de geniale Duitser Hölderlin, maar dat was niet van
de eerste keer duidelijk. De omroeper probeerde met de moed der
wanhoop niet te zeggen wat op zijn papiertje stond. Hij ademde
iets uit dat in Latijné alfabet bij benadering weergegeven kan
worden als ‘haaipiewieon’.

Aan de overkant van de kanaaltunnel herkauwen barbaarse kaken
sinds mensenheugenis iedere lettergreep die niet Brits is, tot er
slechts een slijmerige klont van overblijft. En nu, nu beginnen
wij zelf welluidende Spaanse en Duitse namen te onderwerpen aan
die mensonterende verminkingen waarvan het Engels helaas het
geheim bezit. De Zuid-Amerikaanse meesterviolist Jaime Laredo moet
volgens onze Radio 3 Dzjeemei Lwiedoow heten of iets in die trant.
Waarom in vredesnaam? Iedere muzikant kan slechts dromen van een
naam die samengesteld is uit drie noten van de toonladder: la, re,
do. Waarom dan stopverf kauwen voor je die heldere, Spaanse
klanken uitspreekt?

Bernstein wordt verwrongen tot Beunstien. Ja maar, dat was een
Amerikaan, oppert de verdediging. Jammer, maar de wereldberoemde
dirigent zelf hamerde er altijd op dat zijn achternaam vooral níet
veramerikaanst mocht worden. Hij kon in tomeloze woede uitbarsten
als iemand zijn Germaanse ‘sjtain’ aantastte: /For years, twenty
at the least, Lenny has insisted on “-stein” not “steen”/, lees
het na in /Radical chic/ van Tom Wolfe, New York, 1970. Als de
Vlaamse sterpoliticus Van den Brande niet uitkijkt, heet hij
binnenkort op zijn eigen radio Ven Dun Brwent.

Twee generaties geleden werd in mijn omgeving alles wat
buitenlands moest klinken op zijn Frans uitgesproken. Duitse
automerken, Amerikaanse filmsterren, Russische partijleiders, het
was al khrouchtchèv wat de klok sloeg en Chaplin en Austin rijmden
op Jospin (maar die kenden we toen nog niet).

Waarom apen Vlamingen altijd, gratis, ongevraagd, de
hebbelijkheden van de baas na?
______________________________________________________________________
(“Engels”, in: Geert Van Istendael, /Nieuwe uitbarstingen/,
Amsterdam/Antwerpen: Atlas, 1999, 450 blz., ISBN 90-450-0157-8,
D/1999/0108/734, NUGI 320, blz. 118-120.)

~ door wernermaes op 9 oktober 2012.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

 
%d bloggers op de volgende wijze: